HET MEISJE MET DE GROENE HOOFDDOEK
(HP/De Tijd, juli 1998)
De foto's bij dit verhaal werden gemaakt op 28 april 1998 in Tibet, een kilometer of honderd ten oosten van Lhasa, in een vallei in de buurt van het stadje Lhünzhüb. Het was een lichtbruine, soms groenige vlakte, bespikkeld met stenen en keien, zonder wegen, een kilometer of 20 breed en lang. In de verte, afstekend tegen de bergen, glinsterden lage witte muurtjes van huizen. Op die hoogte van bijna vierduizend meter was de zon hard, de lucht koel en zuiver, en ademhalen een genot op zich.
    Ik vergezelde een team van Artsen zonder Grenzen bij hun inspectietocht van een paar waterverbeterings-projecten in die vallei, en keek toe hoe de Tibetaanse arts die met ons was meegekomen een groepje valleibewoners in water-hygiëne onderwees. Ze waren van overal uit de vallei gekomen en zaten, in hun kleren vol gaten en vlekken, op de grond in een soort kraal met lemen muurtjes om hun les te krijgen, glimlachend en giechelend wanneer onze blikken kruisten. De mannen met allerlei soorten hoedjes op, de jongens met verbleekte Chicago Bulls petjes, de vrouwen met kleurig geruite hoofddoeken. Paars, bruin, groen, rood, het was een wonder hoe die kleuren zo vrolijk en verschillend konden zijn zonder met de monotone kleuren van het landschap te vloeken.
    Kleine wezentjes in het water, kregen ze te horen, zo klein dat je ze niet kunt zien, kunnen je ziek maken. Ze heten bacterieën. Me afvragend wat ik moest doen met het kopje yakboterthee dat me was ingeschonken, realiseerde ik me dat het hele concept van dingen die te klein zijn om te zien nieuw was voor deze mensen. Maar nu het ze verteld werd geloofden ze het gul.
    Hun koppen waren de meest sprekende die ik ooit had gezien. Ik ben niet zo'n anti-chauvinist die andere rassen en volkeren altijd mooier en waardiger vindt dan zijn eigen, maar Tibetaanse koppen... Ik had ze al bij honderden gezien in Lhasa, vooral van de pelgrims en nomaden die van overal uit hun valleien en dorpjes komen om de heilige kora rond het Jokhang klooster in de oude stad te lopen, of zichzelf voor de ingang ter aarde te werpen, steeds opnieuw, en heel lenig. Maar in deze vallei, ver van de dikke zwarte uitlaatgassen van de kleine motorkarretjes die overal in Lhasa rondscharrelen, leken die koppen nog sprekender, alsof ze een ingebouwde scherpsteller hadden.
    Bij het begin van die dag was mijn voornaamste zorg geweest: hoe te ontkomen aan de yakboterthee die me aangeboden zou worden? Die is niet te drinken. Alle smaken zijn verworven, maar het minste slokje yakboterthee doet je je toch afvragen hoe deze smaak verworven kan worden. Het probleem is dat ook het leegdrinken van een kopje niet zou helpen, omdat het ritueel wil dat zodra je het neerzet, het meteen weer tot aan de rand gevuld wordt. Je kan drinken wat je wilt, maar je haalt de bodem niet. Ik moest steeds denken aan die beroemde Nederlander die, bij de ontvangst in het paleis van een Arabische sheik, gezegd moet hebben: 'Geitenoog? Nee dank u, dat lust ik niet,' en die zich daarmee een onmetelijk respect verwierf. Maar in de lieve glimlach van deze valleibewoners dacht ik een vastberadenheid te zien om zelfs kotsen niet als antwoord te accepteren, en dus liet ik mijn kopje maar vol en glimlachte.
    We bekeken een paar waterputten, een bron wat hogerop in de bergen. Toen we weer met onze jeep terugreden over de vlakte werden we tegengehouden bij een groepje huisjes waar de mensen Artsen zonder Grenzen wilden bedanken voor het schone water dat ze tegenwoordig hebben. Ik herinner me een rij mensen die daar stond, hun armen uitnodigend naar ons uitgestrekt met thermosflessen yakboterthee. Na haastig overleg in de jeep werd besloten dat we niet konden weigeren. We stapten uit, waren meteen omringd door lachende kinderen, en werden naar weer zo'n kraal geleid, een soort openluchtzaaltje, kennelijk de plaatselijke feestzaal. Hoewel we alweer naar Lhünzhüb onderweg waren geweest en puur per ongeluk in dat dorpje terecht waren gekomen, was het alsof er op onze komst was gerekend, want er stonden stapels brood voor ons klaar, kommen met gekookte aardappelen en met tsampa, een soort gerstebloem die je met water of bier tot een harde pap moet kneden en die zelfs in de meest Tibet-vriendelijke gids slechte kritieken krijgt. We zaten nog niet of er werden al thermosflessen binnengebracht, en terwijl de dorpelingen witte eresjaals om onze nekken hingen en honderd kinderen ons om een hoekje van de kraal stonden aan te kijken en te lachen, gaven weer anderen ons bekertjes, kopjes en glazen. 'Neenee, niet voor mij,' glimlachte ik, maar daar had ik al een kopje in mijn hand, tot aan de rand gevuld - niet met yakboterthee godzijdank, maar met chang. Chang gaat. Ik had het al gedronken, een thuisgebrouwen niet-schuimend bier, een beetje als wit bier, maar dan zuurder en sterker.
    Het bleek nu dat het chang-ritueel hetzelfde was als het yakboterthee-ritueel, alleen maakte ik het nu tot aan het eind mee. Je neemt een slokje, ze schenken je bij, je neemt nog een slokje, ze schenken weer bij - en nu moet je je kopje legen. Applaus, gelach, gejuich, en daar komt de volgende thermosfles. Om een lang verhaal kort te maken (al heb ik geen idee hoe lang het eigenlijk geworden is): het ritueel moest worden herhaald met iedere dorpeling die blij was met het schone water en die een thermosfles met chang bij zich had - en in nog twee volgende dorpjes. Ik geloof dat het er twee waren. Wat waren ze Artsen zonder Grenzen dankbaar voor het schone water! Ze zongen voor ons, ze drukten hun voorhoofden tegen onze voorhoofden, ze brachten ons nog meer aardappels en chang, prachtig opgemaakte schalen met snoepjes, ze hingen steeds meer witte eresjaals om onze nekken (toen ik weer kon tellen bleek ik er zeventien te hebben), ze namen allebei onze handen in allebei hun handen, en als ik een slokje chang had genomen vulden ze mijn kopje bij. Ik begon onbedaarlijk te lachen, ik kon er niet meer mee ophouden, en toen ik onze tolk wilde vragen om de dorpelingen te zeggen dat ze daar geen gebrek aan eerbied in moesten zien, en dat ik trouwens helemaal niets met dat schone water te maken had, zag ik tranen als waanzinnig over haar wangen stromen.
    Ik weet niet meer hoe we daar ooit weg zijn gekomen. Onze hele jeep was gepavoiseerd met witte eresjaals. Iedereen was stomdronken, maar ik was de enige die niet ziek was. De jeep moest steeds opnieuw stoppen. Het meisje van Artsen zonder Grenzen en ik vielen elkaar in de armen. Ik kon ongelooflijk scherp denken. Het was alsof ik al jaren verder was, en me die rit al herinnerde, kristalhelder. Het is jammer dat we ooit Lhasa weer bereikt hebben.

Maar het werkelijke wonder van die onvergetelijke dag openbaarde zich pas een week later toen ik, terug in Amsterdam, mijn foto's bij de fotozaak ophaalde. Uit die stapel foto's stapte het mooiste meisje tevoorschijn dat ik ooit heb gezien.
    Ze stond op zes van de onwaarschijnlijke hoeveelheid foto's die ik die dag bleek te hebben gemaakt, en uit de volgorde kon ik afleiden dat ze bij een groepje kinderen moet zijn geweest dat ons in een van de chang-dorpjes had begroet. Maar ik kon me niets van haar herinneren. Ik was geschokt. Hoe was het mogelijk dat ik zo'n gezicht was vergeten?

   

   

Op foto 1, het soort foto dat alleen iemand onder de invloed van chang zou maken, is ze nog niet veel meer dan een groen en bruin vlekje. Maar ze staat al wel in het midden. Bij foto 2 moet ik naar die kinderen zijn toegelopen, of zij naar mij. Ik ben de aap in de dierentuin. Het zijn allemaal mooie gezichten, een beetje met die Unicef-achtige schattigheid die uitheemse kinderen altijd hebben, maar zij is al een filmster. Op foto 3 probeer ik me kennelijk van ze los te maken, de chang roept. Op foto 4 heeft ze zich wat naar achteren laten dringen, en kijkt ze teleurgesteld. Maar tussen die foto en foto 5 moet ik haar hebben gezien, en een foto van háár hebben willen maken. Ze is onder de indruk van die plotselinge belangstelling, nieuwsgierig en bedeesd tegelijk, een oogverblindend mengsel van schoonheid en de allergeringste angst. Op foto 6 zien we elkaar tenslotte echt.
    Hoe oud zou ze zijn? Twaalf? Zestien? Weten de andere kinderen op die foto's hoe mooi ze is? JPG doet haar geen recht. Duizend witte eresjaals voor haar omdat ze op mijn foto's staat. Dat ze een gelukkig leven moge hebben.

(c) Tim Krabbé, 1998
 

Bovenkant pagina  |  Voorpagina